GoConqr hat ein neues Design! Sag uns, wie es dir gefällt.

Karteikarten

Anatomie, fysiologie basis

Gelöschter Nutzer Der Nutzer hat seine Fachbereichs-Information gelöscht. Englisch 79 Karten

Anatomie, fysiologie basis

Karten in diesem Stapel (79)

  1. 1BiologieIs de leer van het leven. Ander woord van levend wezen: organisme
  2. 2Wat is Anatomie?Een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van (Bouw) de structuur van de cellen, weefsels en organen waaruit het dierlijk en menselijk lichaam is samengesteld.
  3. 3Wat is fysiologie?Een wetenschap die zich bezighoudt met het besturen van de mechanismen van het functioneren (functies) van levende wezens, vanaf het niveau van de cel, weefsel, organen tot het niveau van het gehele organisme.
    (Fysiologie bestudeert de werking van het lichaam)
  4. 4HistologieIs de wetenschap die zich bezig houden met het bestuderen van de bouw en de bijzondere functies (specialisaties) van weefsels.
  5. 5Functionele anatomieDe bouw van een lichaamsdeel of orgaan hangt samen met de functie ervan.
  6. 6Wat is pathologie?De wetenschap die zich bezighoudt met ziekte. Pathologie is te verdelen in twee onderdelen:
    • De pathologische anatomie (bouw)
    • De pathologische fysiologie (functie)
  7. 7Noem 5 onderzoeksmethode (bij anamnese)Amnese: de voorgeschiedenis - vragen
    Inspectie: observeren - kijken
    Palpatie: tasten - voelen
    Percussie: kloppen - voelen
    Auscultatie: luisteren / stethoscoop
  8. 8Noem 4 onderzoeken laboratoriumbepalingen/onderzoeken1. Urine
    2. Feces
    3. Bloed
    4. Cytologisch (Uitstrijkje, slijmvlies, bv. van de baarmoedermond)
  9. 9Beeldvormende onderzoeken, noem er 71. Röntgenstraling / straling
    2.Magnetic resonance imaging MRI-Scan = (magneet!)
    3. Echografie, echoscopie en doppleronderzoek / geluid golven.
    4. Nucleair onderzoek / radioactieve stof.
    5. Electrocardiogram ECG en Cardiotocografie / stroom
    6. Coronarografie of coronaire angiografie / contraststoffen + röntgenstraling
    7. Scopieën: met starre of flexibele buis worden lichaamsholten bekeken (soms punctie of biopt)
  10. 10Soorten scopieën, noem er 41. Gastroscopie:
    2. Colono of Rectoschopie:
    3. Bronchoscopie
    4. Laproscopie: kijkonderzoek (operatie)
  11. 11KinesiologieBeschrijven van een beweging in een specifiek vlak om een bepaalde as.
  12. 12Noem 3 kinesiologische vlakkenNoem 3 kinesiologische vlakken
  13. 13Noem 3 kinesiologische assenNoem 3 kinesiologische assen
  14. 14Ventraal(venter = buik)
    Voorkant/buikzijde
  15. 15Dorsaal= (dorsum = rug)
    Achterkant/rugzijde
  16. 16Lateraal= (lateralis = naar opzij).
    Buitenzijde
  17. 17Mediaal= (medailles = naar het midden). Binnenzijde
  18. 18Internus= inwendig
  19. 19Externus= uitwendig
  20. 20Craniaal= (cranium = schedel).
    Naar het hoofd/naar boven
  21. 21Caudiaal= (cauda = staart).
    Naar de staart toe/naar beneden
  22. 22ProximaalVoor de extremiteiten:
    = (proximus = dichtbij).
    Dichtbij het lichaam
  23. 23DistaalVoor de extremiteiten:
    = (distans = verwijderd).
    Van het lichaam af
  24. 24Sinster= links
  25. 25Dexter= rechts
  26. 26Anterior= voorste
    Aan de voorzijde
  27. 27Posterior= achterste
    Aan de achterzijde
  28. 28Superior= bovenste
    Hoger of boven
  29. 29Inferior= onderste
    Lager/beneden
  30. 30Radiaal= zijde van de radius
    (duimzijde)
  31. 31Ulnari= zijde van de ulna
    (pinkzijde)
  32. 32Planair= aan de zijde van de voetzool
  33. 33Palmair= aan de zijde van de handpalm
  34. 34Lichaamsholten- Schedelholte - bescherming hersenen
    - Wervelkolomholte- bescherming van ruggenmerg
    - Borstholte (thorax) - Bescherming van het hart en de longen
    • Mediastinum: tussen de longen
    • Buikholte (abdomen) - bescherming van buikorganen
    • Bekkenholte - onderste gedeelte van de buikholte
    Vrouw: blaas, baarmoeder, endeldarm
    Man: blaas en endeldarm
  35. 35Sereuze vliezen (weivliezen) Long- Viscerale blad (binnenblad) - omsluit het orgaan
    - Pariëtale blad (buitenblad)- zit vast aan omringende stucturen
    - sereuze vloeistof: zorgt ervoor dat de bladen probleemloos langs elkaar glijden
    Sereuze vliezen (weivliezen) Long
  36. 36Sereuze vliezen (weivliezen) HartPericard = hartzakje
    - Visceralis (binnenblad) = epicard
    - Pariëtalis (buitenblad)
    = pericard
    Sereuze vliezen (weivliezen) Hart
  37. 37Sereuze vliezen (weivliezen) BuikvliesPeritoneum = buikvlies
    - Peritoneum paritale = buitenblad
    - Peritoneum viscerale = binnenblad
    Sereuze vliezen (weivliezen) Buikvlies
  38. 38Een orgaanEen deel van een organisme met één of meerdere functies. Een orgaan bestaat uit meerdere functies
  39. 39Sereuze vliezen (weivliezen) Buikvlies - onderdelen1. Intraperitoneaal: maag
    2. Retroperitoneaal: nier
    3. Subperitoneaal: lege blaas
    4. Perperitoneaal: gevulde blaas
    5. Extraperitoneaal: alle retro-, sub-, pre-organen
  40. 40Cel• Is de kleinste levende eenheid
    • Is de kleinste stofwisselingseenheid van het lichaam
  41. 41De bouw van een cel1. Celmembraan / transport
    2. Cytoplasma met verschillende organellen
  42. 42Organellen1. Nucleus (celkern)
    regeling stofwisselingsactiviteit en bevat al het erfelijk materiaal.
    2. Ribosomen:
    Spelen een essentiële rol bij de eiwitsynthese
    3. Endoplasmatisch Reticulum (ER)
    4. Ruw ER:
    Veel Ribosomen
    5. Glad ER:
    Spelen een rol bij de lipidenaanaam voor celmembranen
    6. Golgi-complex
    Werkt samen met andere organellen (bijv. Ruw ER transport)
    7. Mitochondriën:
    Glucoseverbranding en energie vrijmaken (ATP)
    8. Lysosoom: voor opruimen, exocytose actief transport van afvalstoffen
    9. Centrosoom:
    Celdeling
  43. 43MetabolismeMetabolisme
  44. 44Enzymen Wat zijn de belangrijkste kenmerken?Einzymen = eiwitten
    - Zorgen voor chemische reactie in of buiten de cel
    - Meest gebruikt voor stofwisseling en vertering
    - Enzym past op één bepaald substraat
  45. 45Cellen Celmembraan - Receptoren• Aan de buitenkant van de membraaneiwitten zitten vaak koolhydraatketens. Dit zijn receptoren
    • Elke receptor bindt met één bepaalde stof en de cel reageert dan met een specifieke reactie.
    • Elke cel heeft veel receptoren. Deze kunnen per celtype verschillen, afhankelijk van de functie van de cel.
  46. 46Cellen Celmembraan Hoe werkt passief transport in de cel?Passief transport via diffusie;
    kleine moleculen, zonder elektrische lading bewegen zich van een hoge concentratie naar een lage concentratie (diffusie).
  47. 47Cellen De celmembraan Wat is een permeabel membraan?Cellen De celmembraan Wat is een permeabel membraan?
  48. 48Cellen Celmembraan Wat is een semipermeabel membraan?Cellen Celmembraan Wat is een semipermeabel membraan?
  49. 49Cellen Celmembraan Wat is isotoon?Als er geen concentratieverschil is (isotoon) ontstaat er een evenwicht. Er gaan dan net zoveel deeltjes de cel uit als erin gaan.
  50. 50Cellen De celmembraan Wat is osmose?Diffusie van water door een semipermeabel membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.
  51. 51Cellen De celmembraan Wat is de osmotische waarde?Aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid (let op: NaCI valt in water uiteen in ion Na+ en CI-)
  52. 52Cellen - Celmembraan Osmotische waarde Wanneer is een oplossing hypotoon?Een oplossing is hypotoon ten opzichte van een andere oplossing, wanneer de osmotische waarde later is.
  53. 53Cellen - Celmembraan Osmotische waarde Wanneer is een oplossing hypertoon?Een oplossing is hypertoon ten opzichte van een andere oplossing wanneer de osmotische waarde hoger is.
  54. 54Cellen Actief transport- Geladen deeltjes en grotere moleculen kunnen alleen door actief transport een celmembraan
    - Eiwitten 'pakken' moleculen en gooit andere er weer uit.
    - Kost energie (ATP)
  55. 55Cellen Passief transport-Kost geen energie
    - Diffusie
  56. 56Cellen Membranen bewegen FagocytoseWitte bloedcellen en ééncelligen verplaatsen zich door de celmembraan te vervormen
  57. 57Cellen Membranen bewegen Exocytose- Actief transport
    - Membraanbolletjes versmelten met de celmembraan en lozen hun inhoud, naar buiten!
    Exo-->uit
  58. 58Cellen Membranen bewegen EdocytoseActief transport!
    Via uitstulping in celmembraan ontstaat een blaasje dat vaak iets van buiten de cel heeft ingesloten
  59. 59MitoseGewone celdeling
  60. 60Doelen mitose1. groeien
    2. herstellen
    3. vervangen
  61. 61Fases celdeling mitose1. profase
    - verdubbeling centrosoom (spoelfiguur)
    - verdwijning kernmembraan
    - van elk chromosoom zijn er nu 2
    2. metafase
    - chromosomen verplaatsten naar het midden (equatoriale vlak)
    - spoeldraden worden gevormd vanuit de centrosomen
    3. anafase
    - chromosomen worden uit elkaar getrokken
    - volledige set chromatiden (van elk 1 chromosoom) aan beide kanten
    4. telofase
    - er ontstaat een nieuwe kernmembraan om beide sets chromatiden
    Hierna deelt de cel zich
  62. 62Cellen StamcelEen stamcel is een cel die zichzelf kan delen en daarnaast nog in staat is om uit te groeien (te differentiëren) tot één of meer gespecialiseerde celtypes
  63. 63Cellen DifferentiatieDe ontwikkeling naar gespecialiseerde cellen noemen we differentiatie.
  64. 64Cellen SpecialisatieVolledig gedifferentieerde cellen hebben hun potentie om andere celtypes te vormen verloren
  65. 65Cellen Specialisatie Noem de specialisaties1. Zenuwcel
    2. Spiercel
    (glad spierweefsel, dwars gestreept spierweefsel, hartspier)
    3. Steuncel
    (botcel, kraakbeencel, bloedcel, enz)
    4. Dekcel (kliercel, trilhaarcel)
    5. Voortplanting
    (zaadcel, eicel)
  66. 66Weefsel Milieu extérieur m.e.is de buitenwereld, de uitwendige omgeving van het lichaam, ook de holten die met de buitenwereld in contact staan. Bv. de darmholte.
  67. 67milieu intérieur (m.i.)is de inwendige ruimte, binnen het lichaam, het waterige milieu waarmee de weefselcellen omringd zijn.
  68. 68Weefselvocht of interstitiële vloeistofzowel het vocht in het weefsel, buiten de cellen extracellulaire vocht als het bloed en de lymfe.
  69. 69Weefsel Noem 4 soorten weefsel1. zenuwweefsel - vb. neuronen
    2. spierweefsel-skeletspieren/hartspier
    3. steunweefsel - botweefsel, kraakbeenweefsel
    4. Dekweefsel - epitheel, klierweefsel
  70. 70FlexieBuigen
  71. 71ExtensieStrekken
  72. 72AnteflexieBewegen van arm/been voorwaarts omhoog
    Buigen van romp naar voren
  73. 73RetroflexieHet naar achteren bewegen van arm/been
    Het buigen van de romp naar achteren
  74. 74Pronatiehet buigen van de arm waarbij de handpalm naar beneden draait
    Ook bij de voet!
  75. 75SupinatieSmeekhouding
    Het buigen van de hand waarbij de handpalm naar boven draait
    Ook bij de voet
  76. 76AbductieZijwaartse beweging van arm/been van het lichaam af
  77. 77Adductiezijwaartse beweging van arm of been naar het lichaam toe
    Ook bij kruisen
  78. 78ExorotatieHet naar buiten draaien van ledematen
  79. 79Endorotatiehet naar binnen draaien van ledematen

Informationen

Beschreibung
80% gehaald
Erstellt von
Gelöschter Nutzer · Nov 2017
Aktualisiert
10 Nov 2017
Aufrufe
26
Verlauf
  • Erstellt von C de Haan · 1 Nov 2017
  • Kopiert von C de Haan · 10 Nov 2017
Bewertung

Feedback

Worum geht es?

Wie gefällt dir das neue Design?

Dein Eindruck