Quiz
Pijn en farmacologie
Este quiz tem tipos de pergunta que abrem no player de sempre.
Perguntas do quiz (70)
1Exterosensoren:
- AOpvangen externe prikkels (van buiten lichaam)
- BGeven informatie over bewegingsapparaat
- COpvangen interne prikkels (vanuit het lichaam zelf)
2Propriosensoren:
- AOpvangen externe prikkels (van buiten lichaam)
- BGeven informatie over bewegingsapparaat
- COpvangen interne prikkels (vanuit het lichaam zelf)
3Interosensoren:
- AOpvangen externe prikkels (van buiten lichaam)
- BGeven informatie over bewegingsapparaat
- COpvangen interne prikkels (vanuit het lichaam zelf)
4Exterosensoren:
- AGelegen op grens lichaam - buitenwereld
- BGelegen in spieren, pezen en gewrichten
- CGelegen in wand holle organen
5Propriosensoren:
- AGelegen op grens lichaam - buitenwereld
- BGelegen in spieren, pezen en gewrichten
- CGelegen in wand holle organen
6Interosensoren:
- AGelegen op grens lichaam - buitenwereld
- BGelegen in spieren, pezen en gewrichten
- CGelegen in wand holle organen
7Chemosensoren zijn gevoelig voor:
- AChemische prikkels
- BMechanische prikkels
- CTemperatuurveranderingen
- DLicht
- E(dreigende) Beschadiging
8Mechanosensoren zijn gevoelig voor:
- AChemische prikkels
- BMechanische prikkels
- CTemperatuurveranderingen
- DLicht
- E(dreigende) Beschadiging
9Thermosensoren zijn gevoelig voor:
- AChemische prikkels
- BMechanische prikkels
- CTemperatuurveranderingen
- DLicht
- E(dreigende) Beschadiging
10Fotosensoren zijn gevoelig voor:
- AChemische prikkels
- BMechanische prikkels
- CTemperatuurveranderingen
- DLicht
- E(dreigende) Beschadiging
11Nocisensoren zijn gevoelig voor:
- AChemische prikkels
- BMechanische prikkels
- CTemperatuurveranderingen
- DLicht
- E(dreigende) beschadiging
12Prikkeldrempel = laagste prikkelsterkte die [blank_start]depolarisatie[blank_end] veroorzaakt in sensorische zenuwcel
- Adepolarisatie
- Brepolarisatie
- Chyperpolarisatie
13Lagere prikkeldrempel voor adequate prikkels dan voor niet-adequate prikkels
- AVerdadeiro
- BFalso
14Eerste prikkeling sensor:
- AFrequentie impulsen afhankelijk van prikkelsterkte
- BAanpassing sensoren
15Langdurige, gelijkblijvende prikkeling:
- AFrequentie impulsen afhankelijk van prikkelsterkte
- BAanpassing sensoren
16Negatieve adaptatie: [blank_start]minder[blank_end] sensorpotentialen / impulsen in de loop van de tijd ([blank_start]verhoging[blank_end] prikkeldrempel)
- Aminder
- Bmeer
- Cverhoging
- Dverlaging
17Positieve adaptatie: [blank_start]meer[blank_end] sensorpotentialen / impulsen in de loop van de tijd ([blank_start]verlaging[blank_end] prikkeldrempel)
- Ameer
- Bminder
- Cverlaging
- Dverhoging
18Unimodaal:
- AGevoelig voor verschillende type prikkels (mechanisch, thermisch en chemisch)
- BGeen adaptatie
- CHoge drempelwaarde
- DGevoelig voor één type prikkel
- EWel adaptatie
19A-vezels:
- ADun gemyeliniseerd
- BSnelle geleiding
- COngemyeliniseerd
- DTrage geleiding
20C-vezels:
- AOngemyeliniseerd
- BTrage geleiding
- CDun gemyeliniseerd
- DSnelle geleiding
21Angst: [blank_start]hypoalgesie[blank_end] ([blank_start]verminderde[blank_end] gevoeligheid voor pijn)
- Ahypoalgesie
- Bhyperalgesie
- Cverminderde
- Dverhoogde
22Opwinding: [blank_start]hyperalgesie[blank_end] ([blank_start]verhoogde[blank_end] gevoeligheid voor pijn)
- Ahyperalgesie
- Bhypoalgesie
- Cverhoogde
- Dverminderde
23Thermische activatie:
- AOnmiddelijke pijnprikkels
- BA-vezels
- CLangzame opwekking pijnprikkel
- DC-vezel
24Mechanische activatie:
- AOnmiddelijke pijnprikkels
- BA-vezels
- CLangzame opwekking pijnprikkel
- DC-vezel
25Algehele anesthesie (narcose):
- APatiënt verliest bewustzijn
- BVerlies gevoel groot lichaamsgebied
- CVerlies gevoel in klein deel lichaam
26Regionale anesthesie:
- APatiënt verliest bewustzijn
- BVerlies gevoel groot lichaamsgebied
- CVerlies gevoel in klein deel lichaam
27Lokale anesthesie:
- APatiënt verliest bewustzijn
- BVerlies gevoel groot lichaamsgebied
- CVerlies gevoel in klein deel lichaam
28Lokaal-anesthetica blokkeren:
- ANatriumkanalen
- BKaliumkanalen
29Lipofiele groep ([blank_start]aromatisch[blank_end]): [blank_start]vetoplosbaarheid[blank_end]
- Aaromatisch
- Bamine
- Cvetoplosbaarheid
- Dwateroplosbaarheid
30Hydrofiele groep ([blank_start]amine[blank_end]): [blank_start]wateroplosbaarheid[blank_end]
- Aamine
- Baromatisch
- Cwateroplosbaarheid
- Dveroplosbaarheid
31Xylidinen: [blank_start]tertiaire[blank_end] amine met benzeenring met [blank_start]twee[blank_end] methylgroepen
- Atertiaire
- Bsecundaire
- Ctwee
- Deen
32Toluïdinen: benzeenring met [blank_start]een[blank_end] methylgroep + [blank_start]secundaire[blank_end] amine
- Aeen
- Btwee
- Csecundaire
- Dtertiaire
33Factoren die van invloed zijn op de intrinsieke eigenschappen van lokaal anesthetica:
- AZwangerschap
- BpH-verandering
- CVasodilatatie
- DVasoconstrictie
- ETemperatuur
34Toevoeging zoutzuur (HCI) [blank_start]verbetert[blank_end] wateroplosbaarheid
- Averbetert
- Bvermindert
35R3NH+ = [blank_start]wateroplosbare[blank_end] [blank_start]geïoniseerde[blank_end] vorm, [blank_start]verantwoordelijk voor analgetisch effect[blank_end]
- Awateroplosbare
- Bvetoplosbare
- Cgeïoniseerde
- Dinactieve
- Everantwoordelijk voor analgetisch effect
- Fbelangrijk voor passage membranen
36R3N = [blank_start]vetoplosbare[blank_end], [blank_start]ongeladen[blank_end], [blank_start]inactieve[blank_end] vorm, [blank_start]belangrijk voor passage membranen[blank_end]
- Avetoplosbare
- Bwateroplosbare
- Congeladen
- Dgeladen
- Einactieve
- Fgeïoniseerde
- Gbelangrijk voor passage membranen
- Hverantwoordelijk voor analgetisch effect
37pKA = pH injectieplaats: 50% [blank_start]geïoniseerde[blank_end] (wateroplosbare) vorm + 50% [blank_start]ongeïoniseerde[blank_end] (vetoplosbare) vorm
- Ageïoniseerde
- Bongeïoniseerde
- Congeïoniseerde
- Dgeïoniseerde
38pKa > pH injectieplaats = meer [blank_start]geïoniseerde[blank_end] ([blank_start]wateroplosbare[blank_end]) vorm
- Ageïoniseerde
- Bongeïoniseerde
- Cwateroplosbare
- Dvetoplosbare
39pKa < pH injectieplaats = meer [blank_start]ongeïoniseerde[blank_end] ([blank_start]vetoplosbare[blank_end]) vorm
- Aongeïoniseerde
- Bgeïoniseerde
- Cvetoplosbare
- Dwateroplosbare
40Intracellulair: relatief [blank_start]lage[blank_end] pH
- Alage
- Bhoge
41Extracellulair: relatief [blank_start]hoge[blank_end] pH
- Ahoge
- Blage
42Welke vorm overheerst in ontstoken weefsel?
- AGeïoniseerde wateroplosbare vorm
- BOngeïoniseerde vetoplosbare vorm
43Lokale eliminatie:
- AAfvoer door bloed van de plaats van toediening
- BVerwijdering uit het lichaam
44Systematische eliminatie:
- AVerwijdering uit het lichaam
- BAfvoer door bloed van de plaats van toediening
45A-fase eliminatie:
- ARedistributie via algemene circulatie naar vaatrijke gebieden
- BRedistributie naar minder goed doorbloede weefsels
- CMetabolisme en excretie
46B-fase eliminatie:
- ARedistributie via algemene circulatie naar vaatrijke gebieden
- BRedistributie naar minder goed doorbloede weefsels
- CMetabolisme en excretie
47Y-fase eliminatie:
- ARedistributie via algemene circulatie naar vaatrijke gebieden
- BRedistributie naar minder goed doorbloede weefsels
- CMetabolisme en excretie
48Epinefrine (adrenaline):
- AStimuleert receptoren in gladde spieren van vaatwand
- BConstrictie veneuze vaten
49Felypressine (octapressine):
- AStimuleert receptoren in gladde spieren van vaatwand
- BConstrictie veneuze vaten
50Methyl- en propylparabeen: [blank_start]frequent[blank_end] allergische reacties
- Afrequent
- Bsoms
51Bisulfiet: [blank_start]soms[blank_end] allergische reacties
- Asoms
- Bfrequent
52Welke vorm van toevoegingen aan oppervlakte anesthetica heeft de voorkeur?
- ASpray
- BGel
- CZalf
53Welke pijnstiller veroorzaakt leverschade?
- AParacetamol
- BNSAID
- CMorfinomimetica
54Opiaten:
- ANatuurlijke stoffen
- BSemi-synthetische stoffen
- CLichaamseigen stoffen
- DSynthetische stoffen
55Opioïden:
- ANatuurlijke stoffen
- BSemi-synthetische stoffen
- CLichaamseigen stoffen
- DSynthetische stoffen
56De afbeelding toont een:

- AA-vezel
- BC-vezel
57Welke pijnstiller is verslavend?
- AParacetamol
- BNSAID
- CMorfinomimetica
58De afbeelding toont een:

- AA-vezel
- BC-vezel
59Prikkels van nociceptoren ontstaan in de:

- APrimaire sensorische cortex
- BPrimaire motorische cortex
- CPrimaire auditieve cortex
60De afbeelding toont een:

- AXylidine
- BThiofeen
- CToluïdine
61De afbeelding toont een:

- AXylidine
- BThiofeen
- CToluïdine
62De afbeelding toont een:

- AToluïdine
- BThiofeen
- CXylidine
63De afbeelding toont:

- AParacetamol
- BNSAIDS
- CMorfinomimetica
64De afbeelding toont:

- AParacetamol
- BNSAIDS
- CMorfinomimetica
65De afbeelding toont:

- AParacetamol
- BNSAIDS
- CMorfinomimetica
66Eigenschappen nociceptoren:
- APolymodaal
- BGeen adaptatie
- CHoge drempelwaarde
- DWaarneming prikkel door transductie
- EUnimodaal
- FWel adaptatie
67Voorbeelden van esters:
- AProcaïne
- BCocaïne
- CXylidinen
- DToluïdinen
- EThiofenen
68Voorbeelden van amides:
- ACocaïne
- BProcaïne
- CXylidinen
- DToluïdinen
- EThiofenen
69Wat heeft een hoge kans op allergische reacties?
- AEsters
- BAmides
70Leverschade treedt op bij [blank_start]10 - 15[blank_end] gram
- A10 - 15
- B5 - 10
- C15 - 20
Informações
- Descrição
- Lokale anesthesie Quiz sobre Pijn en farmacologie, criado por Felicia van der Leeuw em 23-10-2019.
- Idioma
- English
- Visualizações
- 93
- Etiquetas
- Avaliação
- 5,0 de 5 · 1 avaliação Avalie este quiz