GoConqr has a new look! Let us know what you think.

Flashcards

Inleiding; evolutie, ecologie en classificatie

y.gladdines Dierkunde English 128 cards

Cards in this deck (128)

  1. 1EvolutieDe verandering van eigenschappen en kenmerken van groepen organismen over verschillende generaties heen
  2. 2TransformismeZekere levensvorm geeft aanleiding tot ontstaan nieuwe levenvorm
  3. 3Evolutionaire verwantschapVele gelijkenissen tussen verschillende organismen
  4. 4UniformitarianismeAangenomen dat processen uit het verleden hetzelfde zijn als die in het heden - wetten van chemie en fysica zijn universele constanten
  5. 5LamarckismeOvererven van verworven eigenschappen
  6. 6DarwinVerschillende soorten kunnen uit eenzelfde voorouder ontstaan omdat ze elk evolueerde in een eigen, verschillende habitat waarin ze zich moesten aanpassen - adaptatie
  7. 7AdaptatieSoort past zich aan met veranderingen
  8. 8MendelOvererfbare elementen onveranderlijk doorgegeven van generatie op generatie
  9. 9NeodarwinismeCombinatie van theorieën van Darwin & Mendel
  10. 10Micro-evolutieEvolutionaire mechanismen die zich afspelen binnen een populatie of diersoort
  11. 11Macro-evolutieEvolutie boven het species-niveau
  12. 12FenotypeSpecifiek waarneembare kenmerken - morfologische kenmerken / gedragskenmerken / eigenschappen binnen hun levensloop
  13. 13GenotypeDNA
  14. 14Maternale effectenEffecten die een moederdier uitoefent op het fenotype van nakomelingen
  15. 15Milieu effecten op fenotypeNiet erfelijk - temperatuur, licht, seizoen, voeding, luchtdruk, zwaartekracht, mechanische krachten, aanwezigheid van predatoren, interactie van soortgenoten
  16. 16Epigenetische overervingOmgeving geïnduceerde kenmerken worden toch over verschillende generaties overgedragen ook al komen deze factoren niet meer voor
  17. 17GenDNA fragment dat codeert voor een eigenschap of functie
  18. 18LocusVaste positie van chromosomen
  19. 19AllelenMeerdere varianten van bepaald gen
  20. 20HomozygootTwee identieke allelen
  21. 21HeterozygootTwee verschillende allelen
  22. 22Intermediair typeMengvorm tussen beide extremen
  23. 23CodominantieBeide kenmerken komen tot uiting
  24. 24DominantHet allel dat tot uiting komt
  25. 25RecessiefHet allel dat niet tot uiting komt
  26. 26MutatieGevolg van niet gecorrigeerde schade aan het DNA - tijdens kopiëren - ontstaan at random
  27. 27RecombinatieDoor elkaar schudden en herverdelen van bestaande variatie door allelen tussen homologe chromosomen uit te wisselen - tijdens meiose bij aanmaak gelachtscellen
  28. 28ExaptatieZelfaanvulling van eigenschappen
  29. 29VerwantschapsselectieSamenwerking tussen verwanten waarbij individu eigen belang op geeft zodat er grotere kant is op doorgeven van genen
  30. 30Species (biologisch)Soort is een groep van natuurlijke populaties van organismen die zich onderling kunnen voortplanten
  31. 31Species (evolutionair)Soort is een enkele lijn van afstamming die een eigen identiteit behoudt en zich onderscheidt van de rest
  32. 32Species (fylogenetisch)Soort niet verder onder te verdelen en een gemeenschappelijke voorouder te herleiden
  33. 33Reproductieve isolatieOnmogelijkheid om zich voort te planten
  34. 34Prezygotische barriereSamsmelting zaadcel en eicel met de vorming van een zygote verhinderd
  35. 35Ecologische isolatiePotentiële partners vinden elkaar niet terug
  36. 36Tijdsafhankelijke isolatiePopulaties paren op een ander tijdstip
  37. 37Habitat isolatieBeide populaties paren in een ander habitat, terwijl ze voor de rest eenzelfde leefomgeving kunnen delen
  38. 38Ethologische/seksuele isolatiePopulaties herkennen elkaars baltgedrag en seksuele signalen niet
  39. 39Mechanische isolatieEr is copulatie maar uitwisseling geslachtscellen wordt verhinderd door morfologische incompatibiliteit van de geslachtsorganen
  40. 40Copulatie gedragBevruchting kan niet plaatsvinden omwille van het ontbreken van specifieke stimuli tijdens de copulatie
  41. 41Isolatie van gametenGeen correcte transfer van gameten/geen geslaagde bevruchting
  42. 42Post zygotische barriereBevruchting vindt plaats en hybride individu gevormd - met gereduceerde fitness
  43. 43Ecologische onleefbaarheidHybriden hebben geen eigen ecologische niche waarbinnen ze competitief gelijkwaardig zijn aan beide ouder species
  44. 44Gedragsgebonden steriliteitHybride dieren zijn minder succesvol in het vinden van een partner
  45. 45Onleefbaarheid hybrideOntwikkelingsstoornissen tijdens embryonale fase
  46. 46Steriliteit hybridenOnmogelijkheid normale gameten te vormen
  47. 47Peripatrische speciatiebijzondere vorm van speciatie waarbij slechts een heel kleine groep dieren geïsoleerd raken van de populatie
  48. 48Parapatrische speciatieGeen specifieke geografische barriere tussen twee populaties - leefgebied oudergeneratie onderverdeeld in verschillende habitats - lagere fitness van nakomelingen - uitgestrekt verspreidingsgebied
  49. 49RingspeciesVormen aaneengesloten geheel van naburige populaties - alleen directe buren succesvol paren - reproductieve barriere tussen verderaf gelegen populaties
  50. 50Symmetrische speciesParing vindt plaats maar er is een biologische barriere voor de uitwisseling van genen tussen twee subpopulaties
  51. 51Hybride zoneZone tussen relatief nauwe contact zone tussen twee poulaties
  52. 52HeterotopieGen kan op een andere plaats in het lichaam tot expressie komen
  53. 53HeterochronieGen kan op een ander tijdstip of over een andere periode tot expressie komen
  54. 54HeterometrieGen komt in andere mate tot expressie - resulterende gen product kan in grotere of kleinere mate geproduceerd worden
  55. 55AllometrieGevolg van heterometrie - eigenschap dat bepaald of structuren tijdens de ontwikkeling sneller of trager groeien in vergelijking met overige elementen van het embryo
  56. 56HeterotypieMutatie ter plaatse van effectorgen zelf - vaak tot gevolg dat er geen functionerend eiwit gevormd kan worden
  57. 57Spaarzaamheid/zuinigheid5 genfamilies die steeds hergebruikt worden tijdens het ontwikkelinsproces
  58. 58Co-optieGenproducten krijgen nieuwe functies toegewezen
  59. 59Beperking van evolutieFysische-, morfologische-, fylogenetische beperkingen
  60. 60EcologieInterdisciplinaire studie die zowat alle takken van de biologische wetenschappen omvat
  61. 61PopulatieGroep individuen van éénzelfde soort die niet in ruimte en tijd van elkaar gescheiden zijn en theoretisch gezien kunnen voortplanten - vrije uitwisseling van genen mogelijk
  62. 62Leefbare populatieGroot genoeg om inteelt te vermijden en groot genoeg om stochastische factoren die de populatiegrootte toevallig en plots kunnen aantasten op te vangen
  63. 63Deelpopulaties / subpopulatiesPopulatie ingedeeld
  64. 64MetapopulaiteDeelpopulatie die toch afhankelijk zijn van sporadische migraties tussen elkaar
  65. 65NicheVerzameling van alle vereiste en tolereerbare omgevings elementen die het voor een soort mogelijk maken een leefbare populatie te vormen
  66. 66Fundamentele nicheBepaald potentieel gebruik van bepaalde bronnen
  67. 67Gerealiseerde nicheBepaald het effectief gebruik van deze bronnen
  68. 68GeneralistenSoorten met een brede niche
  69. 69SpecialistenSoorten hebben zich gespecialiseerd om zeer weinig bronnen aan te boren
  70. 70HabitatWerkelijke ruimte waarbinnen een organisme leeft en die voldoet aan de niche voorwaarden voor deze species
  71. 71BiotoopBeschrijft in meer algemene geografische termen de ruimte waar die diersoort zijn thuis vindt
  72. 72Draagkracht habitatBepaald hoeveel individuen van een bepaalde soort kunnen leven in de habitat
  73. 73GemeenschapVerzameling soorten die voorkomen in hetzelfde gebied
  74. 74EcosysteemVerzameling alle biotische en abiotische factoren die met elkaar intrageren
  75. 75Biotische factorenLevende organismen
  76. 76Abiotische factorenFysische verschijnselen
  77. 77VeerkrachtBepaald de mate waarin herstel mogelijk is na stochastische verschijnselen
  78. 78BiodiversiteitDiversiteit van het leven - aantal soorten die voorkomen in bepaalde regio
  79. 79SleutelspeciesSoort die absoluut noodzakelijk is voor het behoud van een bepaald ecosysteem
  80. 80CompetitieTreedt op wanneer één of meerdere beschikbare bronnen die beperkt is in ruimte of tijd in onvoldoende mate aanwezig zijn om aan de noden van twee of meer individuen te voldoen
  81. 81CoöperatieInteracties tussen organismen
  82. 82AltruïsmeHulp die 1 dier aan een ander verschaft zonder dat hiervoor een directe beloning verwacht wordt
  83. 83Sociale dierenLeven in groepsverband
  84. 84Eusociale dierenLeven samen in kolonie die opgedeeld is in reproductieve kaste
  85. 85Neutrale interactieTwee organismen hebben geen enkel effect op elkaar
  86. 86PredatieEne organisme eet andere
  87. 87Interspecifieke competitieBepaalde bron essentieel voor twee verschillende soorten en wanneer deze bron niet overvloedig aanwezig is
  88. 88Niche overlapOverlap fundamentele niches van beide soorten
  89. 89Niche vernauwingGerealiseerde niche wordt kleiner dan fundamentele
  90. 90Niche differentiatieAndere bron wordt aangeboord
  91. 91Competitieve exclusieMinst competitieve soort verdwijnt
  92. 92AmensalismeÉén populatie heeft negatief effect op andere
  93. 93MutualismeInteractie positief voor beide organisme
  94. 94SymbioseFysische en obligate associatie tussen twee soorten
  95. 95CommensalismeGeen negatief effect op de gastheer maar hebben deze wel nodig
  96. 96ParasitismeGastheer nodig en hebben negatief effect
  97. 97ParasitoïdismeSpeciale vorm van parasitisme waarbij gastheer altijd de dood vindt
  98. 98Co-evolutieTwee soorten met wederzijdse evolutionaire druk
  99. 99Introductie soortenExotenproblematiek
  100. 100ExotenOrganismen die op een natuurlijke manier niet thuishoren in een bepaald ecosysteem maar er toch terecht zijn gekomen en zich er toch goed voelen
  101. 101NichedisruptieVerstoren bestaande niche waardoor bepaalde soort niet meer in staat is te overleven in zijn habitat
  102. 102HabitatfragmentatieGroot stuk wordt opgedeeld in kleine, verspreide fragmenten wat kan leiden tot kleine populaties
  103. 103Overvloed aan bronnenEenzijdig voordeel voor een aantal zeer competitieve soorten en een nadeel voor de meeste andere soorten
  104. 104FylogenieLeer van de afstamming en verwantschap van levende wezens
  105. 105TaxonTaxonomische eenheid/groep organismen die samen een onderscheidende eenheid vormen ten opzichte van andere soortgelijke groepen organismen - opgedeeld in rangen
  106. 1067 primaire rangenRijk - stam - klasse - orde - familie - geslacht - soort
  107. 107CladogramWeergeven van onderlinge relatie en verwantschap
  108. 108Cladogram met dichotoom vertakkingspatroonUit 1 gemeenschappelijke voorouder vertrekken twee divergerende lijnen van nakomelingen
  109. 109Oriëntatie van een cladogram is willekeurigAlle eindvertakkingen eindigen perifeer op hetzelfde niveau
  110. 110Horizontaal cladogramVerloopt van links naar rechts
  111. 111Verticaal cladogramAls struik vertakt van onder naar boven
  112. 112Cirkelvormiguitgespreid
  113. 113Uiteinde van de takken van een cladogramSpecies waarvoor cladogram is opgesteld
  114. 114Outgroup van een cladogramTak van de nauwste verwant die niet tot deze groep dieren behoort
  115. 115Knooppunten van een fylogenetisch cladogramNamen van gemeenschappelijke voorouders weergegeven
  116. 116Dwarsstreepjes van een fylogenetisch cladogramMomenten waarop nieuwe evolutionaire kenmerken verschenen
  117. 117Homologe kenmerken / apomorfiënVanuit een gemeenschappelijke voorouder evolutionair verworven kenmerk
  118. 118Convergente evolutieDe onafhankelijke ontwikkeling van eenzelfde evolutionair verworven kenmerk in 2 verschillende taxo
  119. 119AnalogieGelijkenis in functie
  120. 120HomoplasieGelijkenis in vorm
  121. 121SynapomorfieEvolutionair verworven kernmerk dat door 2 verschillende klades en hun meest gemeenschappelijke voorouder samen gedeeld wordt en waarmee ze zich onderscheiden van de andere klades uit de studie
  122. 122PlesiomorfieKenmerk dat de voorouderlijke situatie vertegenwoordigt en dus gedeeld wordt door alle soorten die het voorwerp uitmaken de de studie
  123. 123AutoapomorfieEvolutionair verworven kenmerk dat slechts voorkomt bij 1 klade
  124. 124SymplesiomorfieHet kenmerk was geen goede keuze, daar het de ancenstrale situatie voorstelt, ook al kan hiermee een onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende soorten in de lijst
  125. 125Omgekeerde evolutieEvolutionair verworven kenmerken die later in de evolutie verloren kunnen gaan
  126. 126Monofyletische groepMeest recente gemeenschappelijke voorouder van deze organismen en alle nakomelingen
  127. 127Parafyletische groepNiet alle nakomelingen van de gemeenschappelijke voorouder
  128. 128Polyfyletische groepGroepeert verschillende organismen, maar niet de meest recente gemeenschappelijke voorouder

Information

Description
Dierkunde (Inleiding) Flashcards on Inleiding; evolutie, ecologie en classificatie, created by y.gladdines on 19/11/2013.
Created by
y.gladdines
Views
164
Rating

Feedback

What is it about?

What do you think of the new look?

How do you like it?